Pride Marseille. Onze liefde kent geen grenzen.

De Pride is een van mijn favoriete manifestaties. Ik probeerde die van Brussel nooit te missen. Iedere keer opnieuw verloor ik me aan de vreugde, de fierheid en het positivisme van zoveel jonge mensen op die Pride, in tegenstelling tot het vaak grimmige karakter van “betogingen”. Maar de Pride is dus geen betoging. Het is een parade van de fierheid. Fier zijn op wat je bent.

Dit jaar ben ik voor de eerste keer naar de Pride in Marseille geweest, samen met mijn goede vriend Ludovic-Mohamed Zahed, de gay imam die mij ineens ook voorstelde aan zijn nieuwe vriend Malik uit Algerije. De kleuren schitterden weer heel hevig onder de heftige zomerzon aan les Réformés en ik was blij dat ik voor de eerste keer mijn nieuwe regenboogvlag, die ik bij mijn afscheid van mijn ambtenaren voor gelijke kansen in Genk had gekregen, kon meenemen.

De Pride in Marseille stond volledig in het teken van “onze liefde overstijgt de grenzen”. Dat kan ook moeilijk anders in Marseille, dat toch stilaan het culturele centrum van de Middellandse Zee aan het worden is en al veel langer de meest Afrikaanse stad van Europa. In Marseille brengt de LGBTI+ beweging de aanbeveling van de Brusselse professor Eric Corijn gewoon in de praktijk: dat Marseille veel minder naar de rest van Frankrijk moet kijken en veel meer naar de Middellandse Zee. Want daar ligt haar roeping. En dat hebben ze tijdens deze editie van de Pride dan ook volop gedaan.

Zo werd ter gelegenheid van deze Pride een debat georganiseerd dat de grenzen moest overstijgen en ons doen nadenken over de plaats van de Pride in de Middellandse Zee. Ik noem slechts enkele van de deelnemers aan dit debat: Damien Hadi oprichter van Beirut Pride; Mounir Baatour, voorzitter van Shams uit Tunesië; Zoheir Djazair, vertegenwoordiger van TransHomoDZ uit Algerije; Orhun Yegenaga van Istanbul Pride, Antonello Anteo Sannino, voorzitter van l’Arcigay uit Napels en natuurlijk ook iemand van de Pride Marseille. Dat was pas een mooi gezelschap, met heel wat vertegenwoordigers uit het oosten en het zuiden van de Middellandse Zee, wat ik een veel betere benaming vind in deze regio dan het Midden-Oosten of Noord-Afrika. Net zoals voor mij Marseille in het noorden van de Middellandse Zee ligt. Op de praalwagens waren naast de regenboogvlaggen dan ook heel wat vlaggen van landen uit die regio te zien.

Maar een Pride blijft natuurlijk in de eerste plaats een Pride. Met veel muziek, dansende en juichende jongeren, veel kleur en vooral veel lachende, gelukkige gezichten. Dat doet deugd. En dat werkt aanstekelijk. Zeker op La Canebière, de centrale laan van Marseille, waar we door de gebruikelijke bonte massa dagelijkse passanten ontvangen werden zoals iedereen in Marseille ontvangen wordt: als gelijken in ieders diversiteit.

Advertenties

Wij zijn voetbal.

Jean-Luc Mélenchon van het radicaal linkse La France Insoumise houdt niet van voetbal. Vreemd voor iemand die zich verkiesbaar stelt in Marseille. Maar soit. Hij houdt dus niet van voetbal. Tot hij een paar weken geleden in het Mucem door Gilles Perez werd rondgeleid in ‘Nous sommes Foot”, een tentoonstelling over de belangrijkste bijkomstigheid ter wereld. Voetbal, zijn dat niet van die overbetaalde vedetten, omkoperij, ziekelijk rijke sjeiks of Russische oligarchen die met hun geld geen blijf weten en het dan maar aan dure spelers en makelaars besteden? Voetbal, is dat niet de culturele sublimatie van het kapitalisme, dat hartsgrondig moet gehaat en bestreden worden? Ja, maar het is ook veel meer zegt Gilles, die de tentoonstelling samenstelde en er in slaagde een aantal relikwieën van het spelletje te bemachtigen, waaronder de originele wereldbeker en de gedeukte materiaalkist van de ultra’s van Olympique Marseille. Voetbal is ook de passie van het volk, het groene veld waar kinderen leren samenwerken, de ronde bal die in iedere volkswijk rolt, met regels en tradities, die mensen verbindt en verblijdt. Voetbal is de fanatieke vrijetijdsbesteding van de arbeidersklasse, uitgevonden onder het roet van schoorstenen en mijnschachten. Voetbal doet harten sneller kloppen. Voetbal is geen spel, het is een fenomeen, waarmee iedereen, goedschiks of kwaadschiks, te maken krijgt. En hop, Mélenchon houdt plots wel van voetbal.

Het is trouwens een schitterende tentoonstelling in het Mucem, dat er weer in slaagt zeer tastbare, alledaagse onderwerpen in het kadertje van de Mediterrane cultuur te stoppen. Zo deden ze dit ook al met gender, koffie, afval en vertalingen. En nu met voetbal, het favoriete spel rond de Middellandse Zee van Napels tot Tanger, van Marseille tot Tel Aviv, van Barcelona tot Caïro en van Athene tot Algiers.

De belangrijkste bijkomstigheid. Allez l’OM. Ultra’s, Dodgers, Commando’s. Zo dicht zijn we al lang niet meer bij de Champions League geweest als dit seizoen. Laat de geest van Raymon ‘la science” Goethals door Le Vélodrome spoken. Is het trouwens niet vreemd dat dankzij één van de beruchtste en corruptste politici en zakenlui Bernard Tapie de tickets voor een match van OM nog betaalbaar zijn voor de gewone man. Daardoor zit het stadion ook nog vol met jongeren die voor sfeer en animo zorgen in de impressionante virages Nord et Sud. Daarom bepaalt de harde kern van OM de sfeer in Le Vélodrome.

Ja, voetbal verbindt en zweept op. Dat heeft Jean-Luc Mélenchon ondertussen ook door.

La Déviation is een afwijking.

Melanie woont in L’Estaque, een dorpje in het uiterste noorden van Marseille, waar Cézanne meer dan 100 jaar geleden een paar meesterwerken schilderde en zich de zeemzoete film “Marius et Jeanette” van Robert Guédiguian afspeelde. Heel gezellig en schilderachtig. Atypisch tussen de “warme wijken” van het noorden. Maar Melanie woont niet in het dorp. Zij woont wat hogerop, in een oude cementfabriek, tegen de flank van een grillige heuvel met een adembenemend zicht op de baai van Marseille. Melanie woont in La Déviation.

La Déviation is een kunstenaarscollectief dat een gedeelte van deze oude fabriek huurt om er te experimenteren met kunst en met het leven. Vriendschap speelt daar een cruciale rol in want je kunt de wereld niet veranderen zonder kameraden, zeggen zij. Zij creëren en zij leven. In een soort commune, al is dat woord wat uit de mode. De Friche (want zo noemen ze een verlaten fabrieksterrein hier zoveel romantischer) is een chaotisch staaltje industriële archeologie met betonnen platformen en loopbruggen tussen overhangende rotskliffen. Daartussen leven de bewoners zich uit met plastische kunst en theater. De eigenaar wil het terrein verkopen maar vraagt er een bespottelijk hoge prijs voor die de jonge bewoners halsstarrig bijeen proberen te krijgen via crowdfunding en hengelen naar een banklening.

Melanie is jong, architect en naar Marseille verhuisd. Zoals zovelen de laatste jaren. Zij zoeken het licht, want in Marseille brandt de lamp, als is het voorlopig nog een klein peertje. Maar de peertjes vermenigvuldigen zich en flikkeren als kleine stipjes in deze hartelijke stad. Iedere keer komt er zo’n peertje bij, als een opflakkerend lichtpuntje van hoop. Marseille kan deze verlichting alvast goed gebruiken.

 

Graffiti is geen streetart.

Meer dan 35 jaar geleden organiseerden wij met het anarchistisch collectief La Cecilia in Leuven een debat (geluld dat er toen werd) over graffiti. Wij spoten (soms zelfs met verf en kwast) de muren vol met slogans, omcirkelde A’s en sommigen, ik niet, met hamers en sikkels. Banksy was nog kleurboeken aan het vol kladderen en Keith Haring moet ergens verloren gelopen zijn in de metro van New York. Grandmaster Flash zocht nog een micro en vond die bij de toasters op Jamaica. En skaten was iets voor gespierde hippies aan de Amerikaanse westkust. Kortom, graffiti was niet meer dan één van vele agitprop middelen naast stencils en oude lakens die als spandoeken werden gerecupereerd. Wel opvallend was dat onze slogans voornamelijk op lelijke grijze betonnen muren of stapels rode bakstenen van verlaten fabrieksgebouwen prijkten. Nochtans kon graffiti ook heel mooi zijn op een pas gerestaureerd pandje aan de grachtengordel, oordeelde één van onze Amsterdamse kameraden.

Daar moest ik dus onvermijdelijk aan denken tijdens onze streetart tour in Le Panier, onder de deskundige begeleiding van Arnaud, aka Asha, aka Bite. “Wij zijn vandalen, geen artiesten.” En daarmee was het verschil tussen graffiti en streetart kort en bondig samengevat. Want inderdaad, is het niet een beetje vreemd dat de toeristische dienst van de stad streetart tours organiseert maar in eenzelfde adem boetes tot 30.000 euro en gevangenisstraffen tot 2 jaar oplegt aan “vandalen” met een spuitbus? Is het dan de taak van de overheid om zich als een soort smaakpolitie te gedragen door te beslissen wat wel of niet kunst is, al is het dan maar straatkunst? Wat er mij nu zo ineens doet aan denken dat een groep bewoners van een wijk in Gent de schetsen van de Braziliaanse streetartist Mundano niet geschikt vonden voor hun kale muur en hij dus op zoek moest naar een andere plek om zijn werk te maken.

Smaakpolitie dus… Je hebt streetartists die in opdracht van de overheid, een bedrijf of een hippe kunstgalerij de stad een urban tintje geven. En je hebt de “graffeurs” die zich met hun eigen codes en spuitbussen bij nacht en ontij uitleven op treinstellen, muren en bruggen. Gevaarlijke hobby, want iedere maand laat zo’n graffeur het leven in Frankrijk. Geëlektrocuteerd in de metro of van een gebouw gedonderd. Maar het werk in Le Panier was geweldig. Felle kleuren, krachtige rondingen, volle vegen op Provençaalse pandjes in een idyllische volkswijk. Zoals het hoort.

Dirk.

Migrantours

Ezequiel is een Argentijn. Hij woont al 5 jaar in Marseille en gidst mensen door de stad. Meestal toeristen maar vandaag niet, want ik word niet graag toerist genoemd in mijn – bijna – eigen stad. Vandaag was het een wandeling van Migrantours door de wijken Belsunce en Noailles. Veel wist ik al. Maar veel ook niet. Bijvoorbeeld dat Belsunce een doorgangswijk voor reizigers werd omdat ze tussen de haven en het treinstation lag, waar de reizigers in de talrijke kleine hotelletjes overnachtten in afwachting van hun overtocht naar de kolonies. Of dat de kerk van de Dominicanen in de rue des Dominicains vlak na de Franse revolutie in de lucht vloog omdat soldaten er met granaten petanque aan het spelen waren. De kerk deed na de revolutie immers dienst als arsenaal. Of dat Yves Montand van Italiaanse afkomst was en eerst Ivo Livi heette maar zijn naam veranderde om succes te kunnen hebben in Frankrijk. Omdat zijn moeder hem altijd riep om naar boven te komen – “Ivo, monta, monta!” – besloot hij om voortaan als Yves Montand door het leven te gaan. Of dat in het Hotel du Louvre op de Canebière alle beroemdheden gelogeerd hebben. Onder andere Mahatma Ghandi, om er maar één te noemen. En dat in Noailles toch nog enkele oorspronkelijke families de oude winkels van hun voorouders verder zetten tussen de nu overwegend Magrebijnse en Afrikaanse handelszaken. Zoals de Boucherie Alsacienne op de hoek van de Place des Capucins, die tussen al die andere halal slagers met een eenvoudig icoontje heel duidelijk maakt dat je bij hem wel varkensvlees kan krijgen. En tenslotte natuurlijk Mama Africa in de rue d’Aubagne, een klein restaurantje waar Félicité niet alleen allerlei lekkernijen uit Ivoorkust op de tafel tovert maar ook de jongeren op het pleintje tegenover haar restaurant in het gareel houdt. Iedereen heeft respect voor Mama Africa.

Wat een fantastische nieuwe ontdekkingen in Marseille. Met dank aan Ezequiel uit Argentinië, in Marseille.

La Canebière

La Canebière snijdt Marseille in twee. Letterlijk en figuurlijk. Ten noorden heerst de armoede. Ten zuiden heersen de rijken. Vreemd voor een straat die genoemd is naar het meest lucratieve handelsproduct in het noorden van deze stad: canabis. Alhoewel de straat natuurlijk niet vernoemd werd naar de roesverwekkende eigenschappen van deze plant maar naar de touwen die er vroeger mee gemaakt werden en waarnaar er in de haven altijd een grote vraag was.

Een ambtenaar van de stad vertelde me dat elke tien jaar La Canebière een beetje “oppompen” nodig heeft.  Daarom wordt La Canebière, sinds enkele maanden en naar aanleiding van haar 90 jarig bestaan, iedere laatste zondag van de maand autovrij gemaakt en aan de wandelaars geschonken. Kraampjes met lokale producten, zelfgemaakte kleren en allerlei exotische foodtrucks fleuren de straat op. Verder ook heel wat verkopers van oude boeken, strips en grammofoonplaten. Kinderanimatie, dans en muziek. Maar we zijn in Frankrijk en dan kan op zo’n zondags evenement een standje met filosofen niet ontbreken. Aan twee tafeltjes kan je in gesprek gaan met een filosoof. Geloof me of niet: de tafeltjes zaten vol. Dit blijft tenslotte het land van de filosofen, al denk ik niet dat er een Voltaire of een Sartre op La Canebière zat.

Ja, we zijn in Frankrijk en tot onze grote treurnis gaat zo’n evenement hier nu ook gepaard met rigide veiligheidsmaatregelen. Tientallen zwaarbewapende flikken patrouilleren door de straat als hedendaagse robocops. Op ieder kruispunt blokkeren vrachtwagens de straat om te voorkomen dat een dolgedraaide jihadist, die aanvankelijk zijn roes beleefde aan het product waarnaar deze straat werd vernoemd maar nu uitkijkt naar resolutie door onschuldige wandelaars zoals in Nice naar het hiernamaals te kegelen, dit hier ook zou doen. Ik weet niet of ik me nu veiliger voel of net niet. Zelfs de tramsporen werden geblokkeerd door personenwagens die even wegrijden als er een tram aankomt. Geen enkel gaatje blijft onbewaakt.

En toch was het gezellig op La Canebière. Lokale producten, local food, boeken, kinderanimatie, dans en filosofie op de grens tussen arm en rijk.

Louise Michel

In Belsunce, ongeveer in het midden van de rue des Petites Maries, ligt sinds kort de Place Louise Michel. Louise was een communard van de Parijse Commune in 1870, lerares en anarchiste, die verbannen werd naar Nieuw Caledonië, waar ze vriendschap sloot met Algerijnse vrijheidsstrijders. Terug in Frankrijk vestigde zij zich in Belsunce tussen alle andere passanten in een klein hotelletje waar ze in 1905 overleed.

Het mag gerust nog eens gezegd worden dat Marseille op het einde van de Tweede Wereldoorlog werd bevrijd door Algerijnen uit het koloniaal leger. Velen onder hen bleven en bouwden de stad mee terug op. Ze vestigden zich in Belsunce en kwamen samen op het braakliggend stukje grond dat ontstaan was door een tijdens de oorlog verloren geworpen bom. Dit pleintje werd in de volksmond al snel de Place des Chibanis genoemd naar de “oudere Algerijnen”, toen Algerijnse bevrijders van Marseille. Zij verblijven hier nochtans maar 6 maanden per jaar. De andere 6 maanden gaan ze naar Algerije. Vermits ze hun pensioen dreigen te verliezen als ze langer dan 6 maanden buiten Frankrijk verblijven, komen ze iedere keer terug en wachten een half jaar op hun kleine hotelkamertje tot ze terug naar hun vaderland kunnen. Dan zoeken ze elkaar op op hun pleintje.

Tot de stad het onzalige idee kreeg om hier een gebouw neer te planten. De plannen waren al goedgekeurd en de graafmachines stonden klaar om aan de werken te beginnen. Maar dat was buiten les Chibanis gerekend. Samen met andere bewoners kwamen ze in opstand en bezetten hun stukje braakliggende grond. De werken liggen nu al 3 jaar stil en de plannen lijken opgeborgen. Wie weet wordt het dan toch nog een pleintje. Ondertussen hebben ze het wel omgedoopt in de Place Louise Michel, de revolutionaire die hier haar laatste jaren sleet.